Loading images...

Veelgestelde vragen


Wat wordt bedoeld met ‘mensbeeld’?

Wat voor godsdienstonderwijs wordt er gegeven?
Waarom houden de klassen zes jaar lang dezelfde leerkracht?
Kan een kind blijven zitten?
Hoe gaat de school om met niveauverschillen binnen een klas?
Wordt er een CITO-toets afgenomen?
Hoe is de aansluiting op een reguliere basisschool bij tussentijds overstappen?
Wat is ‘vertelstof’?
Worden er vreemde talen onderwezen?
Wat wordt er gedaan aan handenarbeid en handvaardigheid?
Wat wordt er aan muziek gedaan?
Hoe ziet het schoolleerplan eruit?
Welke zorg is er voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften?
Wat wordt er van ouders verwacht?
Waarom wordt er een ouderbijdrage gevraagd?
Hoe is het plaatsingsbeleid?
Heeft de school een klachtenregeling?
Wat is het Omgangsprotocol?


Wat wordt bedoeld met ‘mensbeeld’?

Het mensbeeld is een ander kenmerk van de vrije school. Dat wil zeggen: wat is een mens en in het bijzonder een kind eigenlijk? Hoe en waardoor ontwikkelt hij zich? Het mensbeeld is in de vrije school expliciet de achtergrond van het leerplan. De mens wordt gezien als een lichamelijk wezen, maar ook als een individueel geestelijk wezen. Het kind komt op aarde, niet als een onbeschreven blad waaraan je naar believen allerlei kunt toevoegen. Het brengt vanuit zijn geestelijk wezen speciale talenten en motieven mee, die het met behulp van zijn lichamelijk wezen kan ontwikkelen en realiseren. Het vrijeschoolonderwijs zoekt het unieke van ieder kind en sluit daarbij aan. Onderwijs is niet het vullen van een vat, maar het ontsteken van een vuur.


Wat voor godsdienstonderwijs wordt er gegeven?

De school staat open voor alle kinderen, ongeacht de kerkelijke richting of levensbeschouwing. Dat betekent dat de vrijheid van ouders om hun kinderen in de eigen richting of levensbeschouwing op te voeden, volledig wordt gerespecteerd. De antroposofie -het gedachtegoed van Rudolf Steiner- wordt niet als leerstof aan de kinderen overgedragen.

Op onze vrije school krijgen de kinderen godsdienstlessen en zijn er op gezette tijden kinderhandelingen. Beide zaken nemen een belangrijke plek in binnen onze school. Dit omdat zij ten doel hebben de religieuze gevoelens en stemmingen van de kinderen in te bedden en te verzorgen, al naar gelang dat voor het individuele kind speelt.

De godsdienstlessen vinden wekelijks plaats vanaf de eerste klas. Zij zijn wat vorm en inhoud betreft anders dan lessen vanuit vaste religieuze conventies. Meestal worden verhalen gebruikt om een bepaald religieus aspect zo te belichten dat er een bepaald gevoel, een stemming bij de kinderen wordt gewekt (eerbied, verwondering). De leerkrachten tasten af of daar met de groep op een of andere wijze een verwerking uit kan ontstaan. Het is dus geenszins de bedoeling om leerstellingen te ‘leren’. De lesinhouden groeien met de kinderen mee en worden vaak gekozen aan de hand van ontwikkelingsmomenten die bij de betreffende klas actueel zijn. Steeds laat de leerkracht zich hierbij inspireren door de stemming die hij of zij waarneemt in de klas.


Waarom houden de klassen zes jaar lang dezelfde leerkracht?

De leerlingen leren van en met elkaar in een vaste groep. Door de jaren heen leren zij samen te werken met anderen. Dit is een pijler voor de didactiek, het proces waarin de leerstof zich eigen wordt gemaakt.
De leerkracht gaat in principe met de klas mee, van de eerste tot en met de zesde (groep drie tot en met acht). Het meegaan van de leerkracht biedt hem of haar de mogelijkheid om met de klas ‘mee te groeien’. De leerkracht die jaren intensief met de kinderen werkt, kan de ontwikkeling van de kinderen nauwlettend volgen en daardoor kleine of grotere veranderingen bij het kind opmerken. Klas en leerkracht verbinden hun leven zo intens. Het kind ontmoet zeker niet alleen de eigen leerkracht. Er staan vanaf de eerste klas, tijdens de vaklessen, andere leerkrachten voor de klas, vakleerkrachten of klassenleerkrachten van andere klassen.


Kan een kind blijven zitten?

Hoe gaat de school om met niveauverschillen binnen een klas?
In het vrijeschoolonderwijs komt ‘zitten blijven’ bijna niet voor, doordat er wordt gewerkt met een leerstofjaarklassen systeem. Ieder kind maakt een vergelijkbare ontwikkeling door. Toch ontstaan er binnen een klas verschillende niveaus. De leerkracht komt hieraan tegemoet met een veelzijdige pedagogische benadering en pluriforme werkvormen. Maar het niveau van een kind is niet eenduidig; elk kind heeft meer dan één niveau. Een kind kan motorisch, sociaal en emotioneel zeer ‘bij de tijd’ zijn, terwijl het op kennisniveau achter blijft. En ook het omgekeerde komt regelmatig in allerlei variaties voor. Met de slogan ‘het kind aanspreken naar hoofd, hart en handen’, willen vrijescholen het evenwicht tussen al deze factoren benadrukken. Een evenwicht, dat in elke leeftijdsfase een speciale constellatie heeft.


Wordt er een CITO-toets afgenomen?

In het laatste jaar van de school wordt een schoolverlaterstoets afgenomen. De Ridderslag heeft gekozen voor de NIO-toets om de vermogens en schoolvaardigheden van het kind te meten. NIO staat voor Nederlandse Intelligentietest voor Onderwijsniveau. Gesteund door de resultaten van de NIO-toets wordt door de klassenleerkracht in samenspraak met de vakleerkrachten een schoolverlaterrapport opgesteld. Het eindadvies voor het vervolgonderwijs maakt hiervan deel uit.


Hoe is de aansluiting op een reguliere basisschool bij tussentijds overstappen?

Het leerstofaanbod in de klassen een, twee en drie (groep drie, vier en vijf) verschilt van het reguliere onderwijs. Basisschool De Ridderslag hanteert in deze klassen een normering voor vrijescholen die is afgesproken met andere vrijescholen in Zuid-Holland. Eind vierde klas (groep 6) komt het niveau overeen met het reguliere onderwijs, zodat de leerlingen aan het einde van de onderbouw voldoen aan de normen die ook in het reguliere onderwijs worden gesteld. Dit betekent dat tussentijdse overstap van een vrijeschool naar een reguliere basisschool het gemakkelijkst zal verlopen vanuit de klassen een, vijf en zes.


Wat is ‘vertelstof’?

Door het hele onderwijs heen speelt de vertelstof een belangrijke rol. De vertelstof is als het ware de rode draad waarlangs de ontwikkeling van het kind wordt geleid. Dagelijks wordt de kinderen een verhaal verteld. Deze verhalen zijn afgestemd op de ontwikkelingsfase waarin de kinderen zich bevinden. Verhalen zorgen onder meer voor genieten, plezier, herkenbaarheid, het oproepen van beelden, spanning, het stimuleren van de fantasie, het ontwikkelen van taalgevoel en het vertrouwd maken met de wereld om hen heen. De vertelstof wordt in het gehele onderwijs ingeweven, in de onderbouw vooral in het periodeonderwijs, maar ook in de vaklessen.

In de kleuterklassen wordt elke ochtendafgesloten met een (vaak te herhalen) sprookje. Daar wordt veel belang aan gehecht, niet alleen door de kleuters, maar ook in pedagogisch opzicht. Twee dingen vallen op. Het verhaal wordt verteld, niet voorgelezen. En het verhaal bevat woorden, begrippen en zinswendingen die de kleuter zelf nog niet zal gebruiken. Het vertellen is van waarde, omdat het persoonlijk contact en de eigen verhaaltrant van de juf voor de taalontwikkeling van de kleuter zeer bevorderlijk is. Daarom ‘doorleeft’ de juf het verhaal. Door het vaak te herhalen, gedurende enkele weken, kan de kleuter delen of gehelen uit zichzelf terug vertellen, bijvoorbeeld thuis bij het spelen. ‘Moeilijke’ woorden en zinswendingen worden nooit uitgelegd; de kleuter pakt ze op in hun context en verwerkt ze later in z’n spel. Het wekt soms verbazing, te horen hoe een kleuter uitdrukkingen zoals ‘hoewel de ijdele prins…’ volkomen juist kan gebruiken.

In de kleuterklassen gaat het kind zich verinnerlijken vanuit een eigen scheppende fantasie. Gedurende enkele weken wordt een zelfde verhaal herhaald zodat er een binding met dit verhaal ontstaat. Er worden ook sprookjes verteld die zijn opgetekend door de gebroeders Grimm. Hierin wordt het evenwicht van goed en kwaad in beelden voelbaar gemaakt.

Bij de eersteklasser passen bij uitstek de rijke beelden uit de (klassieke) volkssprookjes. Menselijke-, sociale- en geestelijke waarheden worden kleurrijk gebracht, zonder (verstandelijke) uitleg of moralistische beoordeling. In deze sprookjes ligt het accent op moed, doorzettingsvermogen en vertrouwen. De held gaat op weg, vervult opgaven en ontmoet tegenslagen. Deze worden overwonnen en het doel wordt ten slotte bereikt.

In de tweede klas bestaat de vertelstof uit fabels en legenden. Fabels gaan over dieren, geen echte maar vermenselijkte dieren. Of, om preciezer te zijn, fabels gaan over dieren die een menselijke eigenschap uitdrukken, zoals egoïsme, sluwheid, lef, angst, bescheidenheid en onzekerheid. De kinderen herkennen iets daarvan bij zichzelf of bij anderen. De legenden gaan over heiligen, die het ‘dierlijke’ in zich overwonnen hebben.

In klas drie wordt het Oude Testament verteld. De verhalen zijn, evenals de fabels, niet kerkelijk maar zuiver pedagogisch bedoeld. De verhalen over de schepping van de wereld en de gang van een volk op zoek naar een eigen plaats om te leven, bevatten de thema’s die in de derdeklasser leven.

De vertelstof van de vierde klas wordt gevormd door de Noorse mythologie, met name de Edda en de heldenverhalen. Zo loopt de vertelstof parallel met wat zich in het kind voltrekt: het verlies van een oude wereld en het betreden van een nieuwe en het moeten bouwen op eigen wilskracht. De verhalen van de strijd tussen de goden- en reuzenwereld zijn verhalen van het leven zelf, over list en bedrog, van moed en strijd. Met deze stoere verhalen wordt het ‘ik’ van de kinderen versterkt.

In de vijfde klas vormt de mythologie van vooral de Grieken de vertelstof. De goden zijn ontmaskerd, de herinnering aan een geestelijke wereld wordt sluimerend en sterk verbonden met het abstracte denken, op de fysieke wereld gericht. En daar staat de vijfde klasser middenin. Steeds meer zet de mens zichzelf centraal en neemt hij verantwoordelijkheid voor zijn eigen daden.

Geschiedkundige verhalen uit de Romeinse tijd en de daarop volgende Volksverhuizingen en de Middeleeuwen zijn vaak de vertelstof voor de zesde klas. Maar ook Oosterse, Arabische en oer-Amerikaanse verhalen kunnen aan de orde komen. Zij sluiten aan op de belevingswereld van de twaalfjarige. Rond het twaalfde jaar wordt het kind bewust rijp voor abstracties, logica en causale samenhangen.


Worden er vreemde talen onderwezen?

Ja; Engels (vanaf klas 1), en Duits en Frans (vanaf klas 4).
Al in de eerste klas wordt getracht, het kind vertrouwd te maken met de klanken en het ritme van de Engelse taal. Spelend en zingend blijven de kinderen “taalvaardig”, met het oog op de ons omringende (vakantie)landen. In de tweede klas staan het luisteren en spreken centraal. Op een speelse manier leren de kinderen voorwerpen, lichaamsdelen en zaken waarmee ze direct in aanraking komen benoemen. Analytische grammatica is in het begin nog niet aan de orde; de taal wordt geleerd zoals de moedertaal, door het nadoen. In de derde klas staan het tellen, de dagen, maanden, kleuren, seizoenen en de voorwerpen in de klas centraal. Lichaamsdelen, kleding, voedsel en voorwerpen in huis en op school, worden verder geoefend in de vorm van spelletjes, rijmpjes, verhalen en toneelstukjes. In de vierde klas wordt, net als bij de Nederlandse taal in de taalperiodes, een begin gemaakt met grammatica. Het reciteren van gedichten en het zingen van liederen wordt voortgezet. Toneelstukjes en kleine gesprekjes bevorderen het converseren in de taal. Teksten worden opgeschreven en teruggelezen. In de vijfde klas wordt dit uitgebreid met het lezen van eenvoudige boekjes in de vreemde taal. In de zesde klas wordt dit bij Engels aangevuld met een kleine stelopdracht.


Wat wordt er gedaan aan handenarbeid en handvaardigheid?

Handenarbeid: Tijdens de lessen handenarbeid in de eerste klas, leren de kinderen breien met dikke wol en houten pennen. Ook doen ze eenvoudige knoopoefeningen, vingerhaken en dergelijke. In de tweede en derde klas wordt het breien verder voortgezet, met steeds ingewikkelder patronen. Ook leren de kinderen haken.
In de vierde klas komen onder meer het vlechten en de kruissteek aan bod. Vaak maken de kinderen ook poppen. De vijfde klassers maken onder meer wanten of sokken in de eigen maat.
Handvaardigheid: Door met de handen vorm te geven aan een idee met verscheidene materialen, wordt de wil van jongs af aan geschoold. Door zinvolle en mooie (gebruiks-)voorwerpen te vervaardigen, worden kinderen handig. Het maken van werkstukken zijn ideale oefeningen in concentratie, inspanning en volharding. Ook de fijne motoriek en het voorstellingsvermogen worden bevorderd door het werken met allerlei materialen en kleuren. In de vijfde klas beginnen de kinderen daarnaast met houtbewerking: vaak (bewegend) speelgoed. Ook in de zesde klas worden met houtbewerking allerlei eenvoudige gebruiksvoorwerpen of speelgoed gemaakt. Dit gebeurt door middel van gutsen van holle en bolle vormen. Boetseren valt ook onder de handvaardigheid. In de kleuterklassen en de lagere klassen wordt vooral gewerkt met bijenwas, waarmee met de eigen lichaamswarmte vormen kunnen worden gemaakt. De hoogste klassen boetseren ook met klei.


Wat wordt er aan muziek gedaan?

Tijdens het muziekuur in de eerste klas leren de kinderen fluit spelen en zingen met begeleiding van een instrument. In de tweede klas wordt bij muziek het ritmisch-melodisch gehoor aangesproken. Bij het zingen is de zorg voor de stem, en met name de articulatie van belang. Ook het innerlijk gehoor wordt geoefend. De fluitlessen, die vanaf klas 1 gegeven zijn, worden in de tweede, derde en vierde klas voortgezet. Dat gebeurt op een eigen fluit die de verdere jaren met het kind meegaat. Tijdens het derde jaar wordt gewerkt aan de gehoorsvorming, mede met het oog op het notenschrift, waarmee aan het einde van het derde leerjaar vaak wordt begonnen. Er wordt nu een sterker beroep op het ken- en begripsvermogen gedaan. De canon doet in de vierde klas zijn intrede. Maatsoorten worden onderscheiden en ritmes geoefend met instrumenten. In het vijfde en zesde leerjaar wordt het muziekrepertoire uitgebreid. Het oefenen met meerstemmigheid, intervallen, maatsoorten en moeilijkere ritmen gaat door.


Hoe ziet het schoolleerplan eruit?

Het schoolleerplan wordt samengevat in de vaste schoolgids. U kunt de schoolgids en het schoolleerplan opvragen bij het secretariaat van de school.


Welke zorg is er voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften?

De school heeft grote zorg voor de ontwikkeling van ieder individueel kind. Zij hanteert bij het bespreken en diagnosticeren het antroposofisch mensbeeld. De interne begeleider, die regelmatig elke klas bezoekt, bespreekt zorgkinderen – in algemeen pedagogische zin – en stelt zonodig samen met de leerkracht een behandelplan op. Dit plan wordt door de eigen leerkracht tot uitvoering gebracht. Via de kinderbespreking kan advies worden gevraagd aan het lerarencollege. Zonodig kan binnen de school de hulp worden ingeroepen van een kunstzinnig therapeut.

Ook kan de school hulp bieden in de vorm van preventieve ambulante begeleiding vanuit het samenwerkingsverband. Tevens kan een psychologisch/didactisch onderzoek worden gedaan door de Begeleidingsdienst voor vrijescholen.

De interne begeleider draagt er zorg voor dat alle plannen, resultaten en maatregelen worden bijgehouden in een digitaal leerlingdossier. Samen met de observaties en toetsen vormt dit het leerlingvolgsysteem.

Mocht het werken in de klas onvoldoende resultaat hebben, dan wordt de leerling opgegeven voor remedial teaching, en zal er op die manier hulp worden geboden.

Basisschool De Ridderslag maakt in het kader van ‘Weer Samen Naar School’ – van het samenwerkingsverband van diverse Vrije Scholen in Zudeel uit van samenwerkinsverband 3304 rondom SBO-school Park en Dijk in Gouda, een school voor speciaal basisonderwijs voor kinderen die meer individueel onderwijs nodig hebben.

De Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL), die door de drie samenwerkingsverbanden in Gouda is ingesteld, bepaalt op aanvraag van de ouders (via school) of plaatsing op een SBO-school noodzakelijk is. Zij doet dit aan de hand van het onderwijskundig rapport, dat door de school is opgesteld, met bijlagen en andere relevante informatie.


Wat wordt er van ouders verwacht?

Onderwijs en opvoeding hebben veel met elkaar te maken. Een goed contact tussen ouders en leerkrachten is daarom van groot belang voor het kind. Ouders worden in de gelegenheid gesteld om zich bij de De Ridderslag betrokken te voelen. Allereerst natuurlijk in de communicatie rond en over het kind, maar ook door ouders vele mogelijkheden te bieden mee te draaien in de activiteiten in school of om de klas. Betrokkenheid kan namelijk ook ontstaan door het bijwonen van ouderavonden, het klassenouder zijn of het meevieren van jaarfeesten. Op deze wijze wordt leren op school niet iets dat apart staat van thuis, maar juist is geïntegreerd in de opvoeding door de ouders.
Meer informatie over de rol van de ouders vindt u in het submenu ‘Ouders’.


Waarom wordt er een ouderbijdrage gevraagd?

De rijksbijdrage is niet voldoende om het onderwijs dat wij wensen, volledig te kunnen bekostigen. Onze eisen aan materialen
en inrichting, de aanstelling van vakleerkrachten voor handwerken en handarbeid, en de aanwezigheid van extra ruimtes voor o.a. toneel, handwerken en handarbeid brnegen extra exploitatiekosten met zich mee. 
Deze extra lasten kunnen alleen worden betaald vanuit de gezamenlijke ouderbijdrage en schenkingen door anderen.
Ook in komende schooljaren zullen wij als school deze voorzieningen zelf moeten bekostigen.

Betaling van de ouderbijdrage is vrijwillig en dus geen criterium bij de toelating van uw kind tot De Ridderslag. De hoogte van de gevraagde ouderbijdrage is afhankelijk van het gezinsinkomen en het aantal kinderen op een vrijeschool. Een vrije school, als gemeenschap van kinderen, leerkrachten, leraren en anderen, kan echter alleen bestaan indien alle betrokkenen het vrijeschoolonderwijs ook totaal willen steunen, dus ook financieel. Aan het einde van ieder schooljaar ontvangen de ouders van het bestuur een verantwoording van de besteding van de ouderbijdragen.


Hoe is het plaatsingsbeleid?

De Riddeslag wil er voor ieder kind zijn waarvoor het vrijeschoolonderwijs geschikt is. Ieder kind, met of zonder handicap, is in principe welkom op school. De financiële positie van ouders mag geen drempel zijn om hun kinderen dit onderwijs te kunnen laten volgen. Wel wordt van ouders minimaal affiniteit met de filosofie van het vrijeschoolonderwijs verwacht. Het Toelatingsbeleid is nader uitgewerkt in de schoolgids.


Heeft de school een klachtenregeling?

De school heeft een klachtenregeling. Hierin zijn de procedures voor het indienen en behandelen van klachten geregeld. Ieder die deel uitmaakt van de schoolgemeenschap (ouders, leerlingen, personeel, vrijwilligers, bevoegd gezag) kan een klacht indienen.

De klachtenregeling is van toepassing als men met zijn klacht nergens anders terecht kan. Veruit de meeste klachten over de dagelijkse gang van zaken in de school zullen in onderling overleg tussen ouder, leerlingen, personeel en schoolleiding op een juiste manier worden afgehandeld. Wanneer dit niet lukt, of wanneer de klacht zeer ernstig van aard is, kan een beroep worden gedaan op de klachtenregeling.

In het kader van de klachtenregeling heeft de school een contactpersoon. Deze verwijst de klager door naar een onafhankelijk vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon gaat in eerste instantie na of door bemiddeling een oplossing kan worden bereikt.


Wat is het Omgangsprotocol?

Een van de opgaven die de vrije school zich stelt, is het vormen van een sociale en veilige gemeenschap. Omgaan met elkaar leren de kinderen deels door ons goede voorbeeld en deels door ervaring en correcties door ons, ouders en leraren, gegeven op een prettige en positieve manier.

Het leerplan van onze school bevat veel elementen die het sociale gebied verzorgen, zoals gewoontevorming, fabels, sprookjes en heiligenlegenden. Daarnaast bieden de school- en klassenregels structuur en een veilige omgeving. Ook in een veilige school kun je echter te veel plagen, vervelende grapjes maken of een begin van pesten nooit helemaal uitsluiten. Maar we kunnen er samen met de kinderen en de verzorger(s) wel voor zorgen dat het niet tot langdurig pesten komt.

Hiervoor heeft onze school een omgangsprotocol ontwikkeld, waarin preventieve maatregelen, school- en klassenregels en een stappenplan bij constatering van een pestprobleem zijn opgenomen. Preventieve maatregelen zijn bijvoorbeeld een pleinwacht tijdens de pauze, bewustwording door middel van het bespreekbaar maken voor ouders en kinderen, en het door de leerkrachten alert zijn op signalen die wijzen op pestgedrag.

Indien een pestprobleem is geconstateerd, biedt het stappenplan een gestructureerde aanpak van het probleem waarin alle partijen worden gehoord en gekend: de pester, de gepeste, de verzorger(s), de groep en de leerkracht(en). Aan iedere stap worden concrete afspraken en resultaten verbonden. Iedere stap wordt vastgelegd en het resultaat ervan geëvalueerd. De nadruk ligt op het samen oplossen van het probleem.

De volledige versie van het omgangsprotocol kunt u aanvragen bij het secretariaat van de school.