Loading images...

Vertelstof


Van lieve fee tot stoere Romein

Verhalen vertellen is van alle tijden. Door middel van vertellen wordt belangrijke kennis over het (over)leven en vaardigheden overgebracht van volwassene op kind, van meester op leerling. Ook in onze tijd zijn verhalen populair: denkt u maar aan het Gouds Verhalenfestival, of, dichter bij huis, aan het vertellen over de dieren die u en kind tijdens een fietstocht zien. Vertelstof is de rode draad waarlangs de ontwikkeling van het kind verloopt en die verweven is in de schoolvakken. De verhalen zijn afgestemd op de ontwikkelingsfase waarin de leerlingen zich bevinden en boeien de leerlingen omdat ze innerlijk weten: “Het gaat over mij!”. Verhalen zorgen daarnaast voor plezier, herkenbaarheid, het oproepen van beelden, spanning, het stimuleren van de fantasie en het ontwikkelen van taalgevoel.

In de kleuterklassen wordt een verhaal een aantal weken herhaald, zodat de kinderen het gaan herkennen en beleven, zoals Vrouw Holle en Raponsje. In sprookjes is het goed en het kwaad voelbaar en beleefbaar voor de kleuter, terwijl het toch een verhaal blijft.
Sprookjes passen ook nog bij de eerste klas. Menselijke, sociale en geestelijke waarheden worden kleurrijk gebracht zonder beoordeling. Het accent ligt op moed, doorzettingsvermogen en vertrouwen. De held gaat op pad, overwint tegenslag, vervult opgaven en bereikt zijn of haar doel. Zoals de held op weg gaat, zo betreedt de eersteklasser de ‘grote school’.
vertelstof1In de tweede klas maken de kinderen kennis met fabels en heiligenlegenden. Fabels gaan over dieren, zoals bijvoorbeeld de raaf en de vos. Al deze dieren hebben een menselijke eigenschap: egoïsme, sluwheid, lef, angst, bescheidenheid of onzekerheid. De kinderen herkennen iets daarvan bij zichzelf of bij anderen. De legendes bevatten daden uit het leven van heiligen, zoals Franciscus van Assisi. Onze dierendag op 4 oktober komt voort uit de verhalen over deze heilige die met de dieren kon spreken. De verhalen over heiligen gaan ook over moed en angst, onzekerheid en vertrouwen, gevoelens die het kind zal herkennen.

De derdeklassers horen de verhalen van het Oude Testament. De verhalen zijn niet kerkelijk, maar zuiver pedagogisch bedoeld. De verhalen over de schepping van de wereld en de gang van een volk op zoek naar een thuis, sluiten aan bij de vragen van de derdeklasser naar het waarom en de zin van de dingen.
Van het Oude Testament stapt de inmiddels vierdeklasser naar de Noorse mythologie. De Edda bevat verhalen en liederen uit de 9de tot en met de 13de eeuw over Noorse helden en goden, zoals Donar en Wodan, de naamgever van onze woensdag. De vertelstof loopt parallel met de beleving van de vierdeklasser: het achterlaten van een bekende wereld om een nieuwe binnen te gaan en daarbij te vertrouwen op eigen wilskracht. De verhalen van de strijd tussen de goden- en reuzenwereld zijn verhalen van het leven zelf, over list en bedrog, moed en strijd. Deze stoere verhalen versterken het ‘ik’ van de leerlingen.
De mythologie van de Grieken doet zijn intrede in de vijfde klas. De goden zijn ontmaskerd, de vijfdeklasser verbindt zich met het abstracte denken en richt zich meer op de fysieke wereld. De verantwoordelijkheid voor eigen daden, zo duidelijk in de Griekse sagen aanwezig, sluit hierop aan.

vertelstofDe zesdeklasser vliegt uit zoals de Romeinen uitzwermden over Europa en overal hun sporen achterlieten. Geschiedkundige verhalen uit de Romeinse tijd en de daarop volgende Volksverhuizingen en de Middeleeuwen zijn de vertelstof voor de zesde klas, naast Oosterse en Arabische verhalen.
Deze sluiten aan op de belevingswereld van de twaalfjarige, die abstracties, logica en oorzaak-gevolg steeds bewuster gaat waarnemen. De vertelstof is verwerkt in het periodeonderwijs en de vaklessen, die hierna worden beschreven.