Loading images...

Vaklessen


Moderne vreemde talen, muziek, sport en spel

Al vanaf de eerste klas krijgt uw kind vaklessen. Deze lessen worden meestal gegeven door vakleerkrachten of andere klassenleerkrachten, zodat uw kind aan verschillende docenten went. Samen met de vertelstof en het periodeonderwijs vormen de vaklessen één geheel waarin de leerling vaardigheden leert voor zijn verdere leven. De vaklessen maken deel uit van het normale lesrooster en worden op vaste dagen en tijden gegeven.

Moderne vreemde talen
Handwerken
Handvaardigheid
Vormtekenen
Schilderen
Muziek
Spel en gymnastiek
Levensbeschouwing


Moderne vreemde talen
Engels en Frans zijn de moderne vreemde talen die op onze school onderdeel zijn van het vaste onderwijspakket. In de eerste klas raakt het kind spelend en zingend vertrouwd met de klanken en het ritme van Engels, om in de tweede en derde klas het luisteren en spreken in praktijk te brengen. Door middel van spel, rijm, verhalen en toneel oefenen de tweede en derde klas hun kennis van voorwerpen, lichaamsdelen, dagelijkse activiteiten, seizoenen, dagen, maanden, kleuren en getallen. In de vierde klas komen grammatica, schrijven en lezen aan bod. Dit als voorbereiding op het lezen van een eenvoudig boek in de moderne vreemde taal in de vijfde en zesde klas.

Op vergelijkbare wijze wordt Frans aangeboden vanaf de tweede of derde klas.


Handwerken
In het leren beheersen van verschillende technieken, het afmaken van het werk en het hanteren van natuurlijke materialen zijn de drie ontwikkelingsgebieden – het denken, voelen en willen – terug te vinden. De leerstof van het vak handwerken is gerelateerd aan de leer- en vertelstof in de desbetreffende klas.

handvaardigheid
In de eerste klas ligt de nadruk op het aanleren van de breitechniek. Deze techniek hangt nauw samen met het schrijfonderwijs en het leren ordenen, een vaardigheid die weer voor het rekenen van belang is. Aan het einde van het jaar kan ieder kind op zijn niveau zelfstandig breien.

Op het programma van de tweedeklasser staat het leren haken. Haken ondersteunt het automatiseren van de leerstof en het lopend schrift.

In de derde klas sluit het kind een bepaalde periode in zijn ontwikkeling af en maakt hiervoor een symbolisch werkstuk, bijvoorbeeld een pop. Verschillende technieken, zoals rondbreien en jacquardbreien, staan centraal.

In de vierde klas vindt een overgang plaats van de ontstaanstechnieken (breien, haken, weven) naar de versierende technieken. De leerlingen leren ‘kruisen’ in vele toepassingen, zoals kruissteek en knooptechnieken.
Van ‘kruisen’ gaat het naar ‘handen’ in de vijfde klas: verwerkings- en versieringstechnieken zoals stofschilderen, appliceren en vilten. Zo ontstaan handpoppen of ovenhandschoenen.
De zesdeklassers maken werkstukken die aansluiten bij hun belevingswereld. Het maken van een tas of rugzak symboliseert bijvoorbeeld de bagage van de afgelopen zes jaar waarmee de leerlingen de wijde wereld in trekken. In dit jaar werken de leerlingen ook aan hun theoretische kennis door middel van een spreekbeurt en een scriptie over een aan handwerken gerelateerd onderwerp. Technieken zoals poppen maken, natvilten, spinnen, borduurtechnieken, raamweven en vlechten zijn de rode draad gedurende de zes schooljaren. Uiteraard vormen creativiteit, plezier en de voldoening van het maken van een werkstuk een belangrijk aspect voor de leerling.


Handvaardigheid
Concentratie, inspanning en doorzettingsvermogen zijn nodig om ruwe materialen als hout en klei vorm te geven.
Door (gebruiks)voorwerpen te maken, worden leerlingen handig en oefenen ze de fijne motoriek en het voorstellingsvermogen. Kleuters maken bloemen en bijen van bijenwas dat ze eerst moeten kneden en warm maken.
vaklessen1
In de vijfde klas en zesde klas krijgen leerlingen houtbewerking aangeboden en maken ze gebruiksvoorwerpen of speelgoed. Dit gebeurt door middel van gutsen van holle en bolle vormen. Op de foto hiernaast ziet u een leerling bezig met het decoreren van een schaar in het kader van het gemeentelijk Scharenproject.


Vormtekenen
Vormtekenen doet een beroep op de fijne motoriek, de vormkracht en het voorstellingsvermogen. Het kan immers behoorlijk lastig zijn om een vorm in spiegelbeeld te tekenen of het juiste perspectief op papier weer te geven. De eersteklassers oefenen zich in het kloppend maken van de vorm, waarbij links en rechts evenwichtig worden ontwikkeld.
In de tweede en derde klas is beweging, bijvoorbeeld het lopen van de vorm, een voorbereiding op het tekenen ervan.
Vlechtmotieven en onder-boven symmetrie komen in de vierde klas aan bod.
Terug in de tijd is het motto van de vijfde klas, waar motieven uit onder andere de Oud-griekse en Babylonische cultuur de revue passeren en aansluiten bij de behandelde cultuurgeschiedenis.
In de zesde klas verandert het vormtekenen geleidelijk in meetkunde en perspectieftekenen.


Schilderen
Bij het schilderen staan de kwaliteiten van kleuren en de beleving ervan centraal. Wat gebeurt er bijvoorbeeld als geel en rood elkaar ontmoeten of als blauw en rood elkaar willen opeten?
Rond de vierde klas staat het schilderen meer in het teken van de jaargetijden en thema’s uit de leer- en vertelstof, zoals planten en dieren.
De vijfdeklasser oefent een realistische weergave van de dingen, en in de zesde klas kan sluieren aan bod komen, een techniek waarbij verf in lichte laagjes over elkaar wordt aangebracht om zo een bepaald patroon te vormen.


Muziek
Het is de toon die de muziek maakt.
Vanaf de eerste klas is muziek een actief onderdeel van de leerstof. Liederen over heiligen, ridders en de seizoenen, maar ook Joodse en Afrikaanse traditionele zang. De kinderen leren fluit spelen en zingen met begeleiding van een instrument. De kinderen hebben een eigen fluit die de verdere jaren meegaat.
De tweedeklassers oefenen ritme en melodie.
In het derde jaar werken de leerlingen aan gehoorsvorming, mede met het oog op het notenschrift, waarmee aan het einde van het derde leerjaar vaak wordt begonnen.
De canon doet in de vierde klas zijn intrede, waarbij maatsoorten en ritme worden geoefend met instrumenten.
De vijfde- en zesdeklassers oefenen meerstemmigheid en intervallen.
Klas 4 t/m 6 vormen samen het schoolkoor dat menig jaarfeest en klassenpresentatie van een feestelijke noot voorziet. Onlangs is er een cd uitgebracht met liederen van het schoolkoor.


Spel en gymnastiek
Kinderen willen bewegen. Op het schoolplein in de pauzes of bij de lessen gymnastiek.
In de eerste en tweede klas is het bewegen gericht op ruimtelijke orientatie. Het spel bestaat onder andere uit kringspelen, touwtje springen, bal werpen en vangen.
Spel wordt gymnastiek vanaf de derde klas, waarin veel aandacht is voor het vrij bewegen aan de toestellen.
Vanaf klas 4 wordt er ieder jaar meer aandacht besteed aan verschillende vormen van turnen. Daarnaast krijgen de spelen steeds meer een ‘sport’-karakter. In de lessen is er veel aandacht voor techniek, tactiek en samenspel en sportiviteit.


Levensbeschouwing
Vanaf de eerste klas krijgen de leerlingen wekelijks een vorm van levensbeschouwing aangeboden. Vaak vindt dit plaats in de vorm van een verhaal waarin een gevoel of kwaliteit ligt besloten, zoals verwondering, eerlijkheid of rechtvaardigheid. De inhoud van de lessen groeit met de kinderen mee en past bij de ontwikkelingsmomenten die in betreffende klas aan de orde zijn. Het doel van deze lessen is niet om de leerlingen te onderwijzen maar om de objectieve belangstelling die kinderen van nature hebben, te blijven voeden. Naast deze wekelijkse lessen, vindt er een keer per drie weken op de zondagmorgen een levensbeschouwelijke bijeenkomst plaats met zang en voordracht. Deze bijeenkomsten staan open voor leerkrachten, ouders en kinderen die hieraan willen deelnemen.