Loading images...

Periodeonderwijs

Taal, rekenen en meer

De eerste uren van de schooldag staan in het teken van het periodeonderwijs. Het leerjaar is verdeeld in periodes van een aantal weken. In deze weken staat steeds één bepaald vak centraal, zoals heemkunde, taal, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis, enz. Deze periodes wisselen elkaar af, zodat de leerlingen tijd krijgen om het geleerde te laten bezinken en te verdiepen. De klassenleerkracht geeft de vakken van het periodeonderwijs.

Taal
Rekenen
Heemkunde
Aardrijkskunde
Geschiedenis
Dierkunde, plantkunde, biologie en mineralogie
Natuurkunde

 

Taal
In de eerste klas komen de letters voort uit de vertelstof. De ‘koningsletter’ vloeit bijvoorbeeld voort uit het verhaal over de koning, waarvan op het schoolbord een tekening staat. Vanuit de gestalte van de koning ontstaat de letter K. Schrijven is nauw verbonden met het luisteren en spreken. De motorische vaardigheden die uw kind nodig heeft voor het schrijven, oefent hij met het tekenen en vormtekenen. Lopen en spreken op ritme aan de hand van kinderversjes ondersteunen het proces. Het lezen volgt op het schrijven. De kinderen lezen de letterbeelden eerst vanaf het schoolbord, dan vanuit hun eigen schrift en vervolgens uit boeken.

De tweedeklassers ontwikkelen taalgevoeligheid en taalkennis aan de hand van toneelspel, versjes en ritmiek. Het schrijven sluit aan op wat de kinderen hebben gehoord en zelf gesproken. In het tweede jaar is er onder andere aandacht voor combinaties van klinkers. De kinderen oefenen in het vormgeven van letters en de verbindingen ertussen. Vormtekenen dient als voorbereiding op de overgang naar het aan elkaar schrijven in de derde klas.

Vanuit de beelden van de vertelstof maken de derdeklassers kennis met de werkwoorden, de zelfstandige en de bijvoeglijke naamwoorden. Spellingregels en gebruik van leestekens krijgen betekenis en toepassing. Open en gesloten lettergrepen krijgen in het derde jaar eveneens aandacht. De taal krijgt nu kader en vorm. De leerlingen schrijven zelf verhaaltjes en versjes die aansluiten op de stof of voortvloeien uit de eigen beleving. Technisch en begrijpend lezen gaan voort.

Samenhangend met de beelden uit de Edda, waarin toekomst, heden en verleden aan bod komen, leert de vierdeklasser de werkwoordstijden en -vervoegingen. Gedichten, spraakoefeningen en rijm komen aan bod en dienen mede als oefening voor goed taalgebruik en sociale vaardigheden. De leerling schrijft opstellen en verhalen om in woorden uitdrukking te leren geven aan eigen belevenissen. Spelling van werkwoordsvormen en de samenhang tussen vormen, tijd en onderwerp, vormen de leerstof voor de vijfde klas. Aangevuld met de actieve en passieve vorm van het werkwoord, trappen van vergelijking en directe en indirecte rede, wordt de grammatica verdiept.

Deze kennis past de vijfdeklasser toe in werkstukken die hij afwisselend met de hand schrijft of met de computer maakt. Het behandelen van uitdrukkingen en zegswijzen brengt dubbelzinnigheden in het taalgebruik aan het licht.

De zesdeklasser oefent zich in het ontleden van zinnen, in het helder en duidelijk schrijven in verschillende stijlen en vormen, waaronder ook brieven, en in het discussiëren en luisteren als sociale vaardigheid. Hiermee grijpt de taal terug op de redevoeringen in de Romeinse tijd.
 

Rekenen
De eersteklassers leren rekenen vanuit het doen. Tellen met kastanjes, kralen en ballen en met handen en voeten door middel van klappen en stampen. De eerste tafels van vermenigvuldiging oefenen de leerlingen door middel van ritmisch lopen om vervolgens de stof te verwerken in het periodeschrift: optellen, aftrekken, delen en vermenigvuldigen.

In de tweede klas passen de leerlingen deze vier hoofdbewerkingen op talloze wijzen toe om goed thuis te raken in de wereld van de getallen. In deze klas wordt een begin gemaakt met het automatiseren van de tafels van vermenigvuldiging en worden getallen tot 100 verdeeld in groepen.

De tafels van 1 t/m 12 dient de derdeklasser te beheersen. In de derde klas rekenen de leerlingen aan de hand van situaties uit het dagelijks leven, zoals kassabonnen en prijzen van producten.

De vierdeklasser begeeft zich in de wereld van de breuken en bekwaamt zich in het vermenigvuldigen met twee cijfers. Daarnaast blijft hij oefenen met grotere getallen en het hoofdrekenen, dat in het vijfde jaar wordt uitgebreid naar wegen en meten. Het metrieke stelsel doet zijn intrede: omtrek, oppervlakte en inhoud. Tevens leert de vijfdeklasser breuken vermenigvuldigen en delen.

De zesde klas beoefent het rekenen naar aanleiding van praktische situaties: breuken en procenten in bankzaken, verhoudingen op schaal zoals op landkaarten, en de basiswetten van de meetkunde, zodat de geheimen van cirkels, drie- en veelhoeken zich laten ontrafelen.
 

Heemkunde
Heemkunde legt de basis voor de latere aardrijkskunde, biologie en geschiedenis.
In de eerste klas is heemkunde erop gericht belangstelling te wekken voor de natuur, voor planten en voor dieren. Het gaat hierbij om de directe omgeving waarin de leerlingen wonen en leven.
Ook in de tweede klas stimuleert heemkunde de kinderen tot een bewustere en fantasievolle verbinding met de eigen omgeving.
In de derde klas is er meer gerichte aandacht voor de omgeving en hoe deze is ontstaan. Er komen nieuwe elementen bij, bijvoorbeeld de relatie tussen mineralen, planten, dieren en mensen en hoe deze elkaar nodig hebben.
Vanaf de vierde klas gaat heemkunde over in aardrijkskunde, biologie en geschiedenis en heeft dan vooral betrekking op de eigen woonomgeving. De leerling maakt kennis met de historische, culturele, sociale en economische ontwikkelingen van de stad. Een bezoek aan de Goudse Glazen en een stadswandeling kunnen deel uitmaken van deze lessen. Verder leert de vierdeklasser zijn eigen plaats in de wereld te vinden en te bepalen met behulp van de windrichtingen, het kompas en het tekenen van eenvoudige kaarten.
 

Aardrijkskunde
Vanuit de eigen woonplaats verkent de vierdeklasser Nederland: dijkaanleg, kanalisatie en polders komen aan bod, naast topografische kennis van steden, wegen, kanalen en spoorlijnen.
In de vijfde klas volgen de leerlingen (figuurlijk) een van de grote rivieren van oorsprong tot monding. Ook een product wordt van grondstof tot eindproduct gevolgd. De leerlingen leren gedetailleerde kaarten en tekeningen maken.
De zesdeklassers gaan aan het werk met klimaten en leefomgevingen, gebergten en gesteenten. De topografische kennis breidt zich uit naar andere werelddelen.


Geschiedenis
De vroege culturen tot en met de Griekse cultuur komen in de vijfde klas aan bod. De zesdeklasser verdiept zich in de opkomst en ondergang van Rome, de volksverhuizingen en de Middeleeuwen. Denkt u bijvoorbeeld aan Karel de Grote, de kruistochten en de pracht en praal van de islamitische rijken.


Dierkunde, plantkunde, biologie en mineralogie
Bij al deze vakken gaat het om de samenhang met de mens. Zo heeft de vierde klas een dierkundeperiode: wat verbindt de mens met de dieren en de dieren met de mens? De leerlingen werken dit thema onder andere uit in tekst en gedicht, teken- en boetseerwerk. In de hogere klassen werken de leerlingen in de schoolmoestuin waar ze zelf zaaien, planten en oogsten. 
In de vijfde klas wordt plantkunde aangeboden als inzicht in de samenhang en totaliteit van het plantenrijk.
Biologie in de zesde klas, tot slot, krijgt vorm in het onderzoeken van de dode, minerale natuur in samenhang met plant, dier en mens.
 

Natuurkunde
De natuurkundeperiode in de zesde klas begint bij fenomenen uit het leven. Het zelf waarnemen en beschrijven van verschijnselen met betrekking tot geluid, licht, warmte, elektriciteit en magnetisme zijn belangrijk. Wat is er te zien, te ruiken, te voelen en te beleven? De zesdeklasser oefent zijn zintuigen en leert wetmatigheden.